Alles wordt normaal. Zo ook het leven in Portugal. En al is het voor sommigen misschien moeilijk voor te stellen, we waren toe aan vakantie. Een andere omgeving, niet de dagelijkse sleur van klusjes én nog even van de kans gebruik maken om Portugal te verkennen. Kortom, het avontuur riep ons. Nu wilden we de moestuin en Syb en Bonnie, in willekeurige volgorde, natuurlijk niet te lang achterlaten. En dus werd de vakantie verdeeld in drie weekendjes weg, beginnend met het leistenen dorp Piódão.
Piódão stond al een tijd bovenaan mijn verlanglijst. Meermaals was ik op Google maps door de nauwe straatjes van het dorp gelopen en de foto’s van het idyllisch uitziende leistenen hotelletje met blauwe luifels kende ik uit mijn hoofd. Wat trouwens iconisch is voor het dorp, de combinatie van leistein met lichtblauw houtwerk. Niet tot stand gekomen door de visionaire blik van een vooruitstreven architect, maar gewoon, omdat leisteen in overvloed was en de enige winkel die het afgelegen dorp bevoorrade, enkel lichtblauwe verf had. Soms zit het mee.
’s Ochtends reden we vanuit een in mist gehulde vallei omhoog, de bergen in. Lange tijd twijfelend of het niet te positief gedacht was om onze regenjassen thuis achter te laten. Maar gelukkig, het lot was ons goed gezind en op het moment dat we de hoek van de bergkeet omreden en Piódão voor ons opdoemde, begon de zon te schijnen.
Het was zaterdagochtend en het dorpsplein leek gebouwd voor massatoerisme, maar voorlopig was het dorp nog aan het ontwaken. We werden warm onthaald door een café-eigenaar. Die tussen het serveren van onze koffie, het buitenzetten van zijn terras en het uitrijden van zijn kar met genoeg magneten voor minstens één op elke koelkast in de hele Serra de Estrela bergkeet, ook nog de tijd vond om ons likeur, kaas, taart en een kitten aan te bieden. Oké, de kittens die rondliepen behoorde helaas niet tot zijn verkoopwaar, of tot wie dan ook en dartelde vrij over het plein. En dus rekende we alleen 2 koffie af en begonnen we aan onze wandeltocht.



Hobbitlandschappen en overwoekerde paadjes leidden ons naar een naastgelegen dorp. Ik had gehoopt op een minder toeristische, en authentiekere versie van Piódão, maar dat potentieel hadden ze zelf helaas niet herkend. Beton leek hier inmiddels rijkelijk beschikbaar en de verweerde bordjes “bar” hielden na drie bochten op. De twee Portugese bouwvakkers keken ons enkel verwilderd aan toen we ernaar vroeg. En dus trokken we verder. Met ik voorop, daalde we af richting de rivier. Hier kregen we de dopamine kick waar we naar snakte gelukkig toch nog. Niet in de vorm van cafeïne, maar door een luid sissende groene slag die verstopt lag in het gras op ons smalle pad van maximaal een halve meter. Tijd om mijn koppositie maar eens aan Kev af te staan… Om uiteindelijk uit te komen bij Agua da Foz, een prachtige zwemplek met bruggetjes.






Het nadeel van dalen, is dat je ook weer moet stijgen. Dat hebben we geweten. Ploeterend wandelde we naar boven, terug richting Piódão, terwijl we in stilte dagdroomde over een ijskoud biertje. De tijd van fantaseren over koffie lag inmiddels ver achter ons.
Aangekomen in het dorp, lesten we de dorst, rustten we uit en fristen we op. Ons klaarmakend voor het avondprogramma. Wat bestond uit onze andere hobby: lekker eten en drinken. Gesitueerd op een idyllisch plekje naast de waterbron van het dorp, keken we in het laatste avondzonnetje toe hoe mensen langskwam om citroenen te wassen, flessen te vullen of de vaat af te spoelen. We nipten van onze favoriete wijn, die helaas alleen per fles te verkrijgen was, genoten van het eten en probeerde toen de bodem van de fles al inzicht was nog te beredeneren hoe het kan dat de langste dag niet op dezelfde dag is als wanneer de zon het laatst ondergaat. We snappen het nog steeds niet.



De volgende ochtend schoven we een klein beetje katerig aan bij het ontbijt. In een kleine huiskamer setting deelden we de enige zespersoons tafel met twee Portugese Amerikanen, en twee Amerikaanse Portugezen die bespraken hoe nadelig het is als anderen emigreren. Stilzwijgend nipte ik mijn koffie op en genoot ik van de zelfgemaakte jam en cake.
In één klap was de kater weg, toen we in het ijskoude bergwater van het zwembad in het dorp sprongen. De beschrijving “muito frio” van de receptioniste van het hotel, was niks te veel gezegd. Als je erin zit, weet je niet hoe snel je eruit moet. Maar als je eruit bent, is het toch verleidelijk om nog één keer te testen of het nu al warmer is. En dus hopte we er zo’n 10 keer in en uit, elke keer weer onder luid ge-“oeeeh koud” en “nog één keer dan”. Om uiteindelijk vanwege de uitchecktijd terug te keren naar het hotel en roadtrippend terug naar huis te gaan.



Prachtig 1e weekend!